Wildforstersgoederen in Barneveld

Afb01 luchtfoto BoeschotenMiddeleeuwse wildforsters waren ambtenaren van de graaf/hertog van Gelre waar weinig over bekend is. Zij hielden toezicht op de wildstand en inden een vergoeding voor het gebruik van de gronden van de graaf/hertog. In deze bijdrage een tipje van de sluier over de wildforsters van Boeschoten en Wedinchem.  

Bij de blogs over de opgraving in Harselaar Zuid kwam al regelmatig de term wildforsters aan de orde. Wat waren dat nu eigenlijk voor goederen en wat weten we ervan? Hoe zagen ze eruit? Wie woonden er? Antwoorden op deze vragen hebben een voorlopig karakter. Nieuwe gegevens zullen andere vragen oproepen maar ook antwoorden geven waardoor we steeds een beetje meer over deze intrigerende wildforsters te weten zullen komen.

In 1326 benoemde graaf van Gelre Reinoud II een aantal forsters op de Veluwe. De woonplaatsen van deze forsters  lagen aan de rand van de Veluwe, rondom het gebied waar de graaf uitgestrekte bezittingen had, die vooral bestonden uit heide en bos. De forsters, later wildforsters genoemd, hadden tot taak om de graaf te begeleiden op zijn jachtpartijen waarbij zij het geschoten wild moest vervoeren. Hij moest bovendien de wildstand in de gaten houden en een vergoeding (ruimgeld) innen voor het gebruik van de gronden van de graaf. Zowel voor het gebruik van de wegen alsook wanneer bijvoorbeeld schapen op de heide graasden. Weliswaar kennen we de namen van deze goederen maar verder is er betrekkelijk weinig over bekend. Zij kregen een boerderij en een stuk grond in leen en waren vrijgesteld voor werkzaamheden aan bijvoorbeeld de verdedigingswerken van Wageningen. Voor ons gebied waren het Wedichem, Boeschoten en net over de gemeentegrens in Putten,  Koudhoorn.

De term wildforsters verdwijnt overigens rond 1600 in de beschrijving van de lenen: Boeschoten (1580), Wedinchem 1 (1473), Wedinchem 2 (1600), Koudhoorn (1621). Het ambt bleef echter bestaan. De eigenaren van het goed Wenckum (Wedinchem), aangesproken als wiltforsters, worden in de achttiende eeuw op bevel van het Hof van Gelderland gemaand om over te gaan tot inning van het ruimgeld in de ambten Nijkerk en Putten. Het ruimgeld werd alleen in de schrikkeljaren geïnd en had alleen betrekking op het gebruik van de “gemene straten en stegen” (Archief Wenckum). Dat de wildforster van Wenckum ook in Putten en Nijkerk werkzaam was, laat zien dat hij zijn taken uit moest voeren in een uitgestrekt gebied.

Boeschoten

De benoemingen door Reinoud waren waarschijnlijk bevestigingen van bestaande ambten zoals ook bij andere beambten gebeurde. Dat het niet om nieuw gestichte boerderijen ging, kunnen we afleiden uit het gegeven dat Boeschoten in 1326 wordt vermeld als Boeschoten en Klein Boeschoten.  Er waren al twee erven met dezelfde naam, die voor 1326 moeten zijn opgesplitst. Mogelijk dat een zekere Heiwano de Boscoten (1246) hier al woonde. Opmerkelijk is dat het leen gedurende tenminste 500 jaar, mogelijk zelfs vanaf het begin, in handen was van één familie die zich tot in 1643 van Boeschoten noemde:

Mechtelt Hartgers uyt cracht van dispositie haeres vaders beleent. Haar man Elbert Wouters is haer hulder.

Vanaf Mechtelt werd meestal de voornaam van de vader als achternaam voor de volgende generatie gebruikt en niet meer het toevoegstel ‘van Boeschoten’. Meestal  ging het leen over van vader op zoon, maar een enkele keer ook op een broer, dochter of nicht. Onduidelijk is nog of het als één leen beschouwd moet worden of dat er sprake was van twee lenen.

afb02
In 1805 lag Boeschoten temidden van uitgestrekte heidevelden (Kaart de Man)

Wedinchem

Ook in Wedinchem was in 1326 sprake van Brant en Evert van Wedinchem wat eveneens wijst op twee erven. Bij de opgraving in Harselaar Zuid zijn vier boerderijen gevonden die in afwachting van de definitieve datering in de tiende tot veertiende eeuw worden geplaatst. Hier heeft mogelijk een familie al generaties gewoond voordat Brant en Evert hun ambt bevestigd kregen.

Item Brant van Wedinehem tguet te Wedinchem.

Item Euert van Wedinchem siin guet aldaer. 

De eerder genoemde pijlpunt uit de veertiende eeuw was een hele sterke aanwijzing dat de wildforster hier woonde (zie Opgraving Barneveld Harselaar 5). Blijkbaar is telkens wanneer de oude boerderij aan vervanging toe was, iets 20150813_104015verderop een nieuwe boerderij gebouwd. Alleen de twee laatste boerderijen staan op dezelfde plaats. De nakomelingen van de beide families hadden het wiltforstergoed in leen. Zij verschilden echter sterk van elkaar. De nakomelingen van Evert zorgden dat dit leen, vergelijkbaar met Boeschoten, in de familie bleef. Waarschijnlijk woonden zij ook terplaatse. De afstammelingen van Brant geven echter een ander beeld. Door huwelijk komt dit leen in 1574 in handen van De Bielers, een aanzienlijke familie in Barneveld. Door het huwelijk van Agnes de Bieler in 1617 met Adrian Ploos van Amstel, heer van Tienhoven en lid van de Raedt van State slands van Utrecht, zorgde dat het leen terecht komt in de hogere kringen. Zijn zoon is bovendien heer van groot en klein Wencum. Het lijkt niet voor de hand liggend dat zij ook in Wedinchem woonden, maar wel het wiltforsterschap in leen hadden. De vraag wie er gewoond heeft in de opgegraven boerderij kan jammer genoeg niet worden beantwoord. Er zijn geen resten gevonden van de opvolgende boerderijen. Dit kan het gevolg zijn van een andere bouwstijl waarbij men het gebint op stiepen plaatste die geen sporen in de bodem nalaten. Het kan ook zijn dat men elders een nieuwe boerderij heeft gebouwd. Eerst moeten we echter de uitwerking van het onderzoek afwachten. In ieder geval heeft net buiten het onderzoeksgebied de boerderij Wencum gestaan die rond 1790 is afgebroken.

De begrenzing van het goed

boeschoten minuut op de man
Boeschoten: geel= wal; groen=bos; bruin-bouwland; paars=heide.

Hoewel Boeschoten al voor 1800 was voorzien van een buiten- en binnenwal, zijn in Wedinchem geen aanwijzingen gevonden voor een dergelijke begrenzing. De wal van Boeschoten markeerde het goed op de uitgestrekte heide en zorgde ervoor dat het wild niet naar binnen kwam. Oorspronkelijk was de grens van het leen mogelijk door palen gemarkeerd. Overigens ligt enkele kilometers naar het oosten de Wilde Kamp dat ooit een vergelijkbare aanleg heeft gehad.

Wapens van wiltforsters?

Intrigerend is dat Nairac een wapen beschrijft – ‘een zilveren boog op een veld van azuur’ dat op een gebrandschilderd raam van de kerk te zien zou zijn geweest. Ook de Wedinchem’s zouden een wapen gehad hebben wat gezien de status van in ieder geval de tweede tak niet verwonderlijk is. In het wapen zouden drie jachthoorns hebben gestaan. Hopelijk zijn er heraldici die nog eens naar de genoemde wapens en families willen kijken.

 

 

 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.