Over historische kaarten, schapen en mest

 

Historische kaarten bevatten belangrijke informatie over de geschiedenis van ons prachtige landschap. Soms moet je wel goed kijken of met moderne hulpmiddelen bepaalde elementen naar voren halen, maar dat maakt het verhaal alleen maar facsinerender. De relatie tussen boerderijen, schapen, heide en akkers is al eens aan de orde geweest. In deze bijdrage wordt het belang van de heide voor de akkerbouw nog eens gevisualiseerd.

Schapen waren onmisbaar voor de akkerbouw

Vanaf de late middeleeuwen tot rond 1900 waren de schapen een belangrijk onderdeel van de veestapel van iedere boerderij. Niet alleen voor de wol of het vlees maar vooral voor de mest. Het was niet voor niets dat op de Veluwe in de zestiende eeuw zo’n 111.000 schapen rondliepen. Wanneer we naar Kootwijk en Kootwijkerbroek kijken krijgen we een goede indruk van de betekenis van de schapenteelt dankzij het werk van Roessingh. In 1527 bevonden zich hier 2840 schapen in 37 bedrijven. 200 jaar later waren het nog 16 bedrijven, terwijl rond 1900 het schapenbestand gehalveerd was ten opzichte van 400 jaar eerder.  Veel boeren hadden een knecht die als schaapsherder werkte. Ook werkten boeren hierin samen.

Schapenmest het goud van de Veluwe

De schapen werden iedere nacht in de schaapskooi ondergebracht. Daar werden heideplaggen op de grond uitgespreid, deels in zogenaamde potstallen, en na enige tijd werd het mengsel van plaggen en mest schaapgeruimd en over de akkers uitgereden. Hierdoor ontstonden de typische plaggendekken (esgronden) die erg vruchtbaar waren. Deze bodems konden tot een meter dik worden. In die gevallen moest per hectare in totaal 10.000 m3 heideplaggen met mest worden uitgereden! Gerekend over 400 jaar valt dat ook wel weer mee. Het was echter niet voor niets dat van der Waals – Nachenius in de Kroniek van Boeschoten beschrijft dat de boer en zijn knechten de helft van hun tijd hier mee bezig waren. Volgens de schrijfster was voor elke hectare bouwland zeven hectare heide nodig.

Pas op het einde van de negentiende eeuw kwam een einde aan de schapenteelt. De import van goedkope wol maar vooral de uitvinding van kunstmest betekende het einde voor de talloze schaapskuddes. De heide was niet meer nodig. Tegelijkertijd waren de steenkoolmijnen in opmars waar hout nodig was terwijl ook de toenemende industrialisatie voor een grotere vraag naar hout veroorzaakte. Dit betekende het einde van de voormalige heidevelden en de transformatie naar bossen. Zelfs de stuifzandgebieden werden beplant. Het was het begin van Staatsbosbeheer (1899).

Boerderijen langs de rand van de heide

De verspreiding van heide velden (paars), stuifzand (geel) en bos (groen) in 1870. De boerderijen zijn in rood aangegeven en de schaapskooien als gele driehoekjes (situatie 1832). Rechts Kootwijk en links van boven naar beneden Stroe, Kootwijkerbroek en Essen. (P. Schut)

De negentiende eeuwse kaarten laten nog een beeld zien van hoe het ooit was. Uitgestrekte heidevelden met vooral langs de randen de boerderijen met schaapskooien. Soms waren het veldschuren, maar meestal stond de schaapskooi op het erf. De boerderijen werden op strategische plaatsen gebouwd: aan de rand van de hogere dekzanden waar de akkers werden aangelegd en aan de andere kant de heidevelden en weidegebieden. Op het kaartje hiernaast is dit duidelijk herkenbaar.

Wanneer u op onderstaand kaartje de situatie van 1870 met die van 1930 vergelijkt dan is het niet moeilijk om de verschillen te zien. Voormalige stuifzandgebieden zijn inmiddels omgevormd tot bossen, maar belangrijker is dat de heidegebieden en het stuifzand sterk in omvang afnemen. De gras- en bouwlanden breiden zich daarentegen steeds verder uit. In de nieuw ontgonnen gebieden worden al snel nieuwe boerderijen gebouwd. Zoals bijvoorbeeld tussen Essen en Kootwijkerbroek. Overigens zijn deze nieuwe boerderijen nog niet op bijgaand kaartje aangegeven.

De situatie rond 1930.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *