De schaapskooien van Boeschoten (Garderen)

De schaapskooi van Groot Boeschoten (P. Schut).

De schaapskooien van Boeschoten

Schaapskooien zijn stille getuigen van het belang van de schapenteelt in het verleden. In een eerdere blog werd hier al over geschreven. Illustratief is dat er in 1832 in Barneveld meer dan 200 schaapskooien waren terwijl er honderd jaar later nog 80 bestonden.  Het aantal is in de afgelopen eeuw nog eens meer dan gehalveerd. De komst van kunstmest en goedkope wol uit het buitenland was hiervan de oorzaak. In deze bijdrage wordt stil gestaan bij drie schaapskooien rond Boeschoten. Het is een bijzonder cultuurhistorisch landschap met een rijke geschiedenis. Zelfs de kuilen naast de boerderijen en schaapskooien, waar zand werd gewonnen voor het dagelijkse gebruik, zijn bewaard gebleven. Bij het schrijven heb ik vooral gebruik gemaakt van  de publicatie van C.E.van der Waals-Nachenius: Boeschoten, Een Veluwse Kroniek en een niet uitgegeven manuscript van haar uit 1969-1970 waarin details worden gegeven over de schaapskooien van Groot en Klein Boeschoten. Door haar interviews met verschillende bewoners  van Boeschoten (Dries Middendorp geboren in Klein Boeschoten rond 1890 en Trui van Essen van Surksum – mede-eigenaar-  getrouwd met Heimen van Surksum woonde in Groot Boeschoten eind negentiende- begin twintigste eeuw) ontstaat een levendig en gedetailleerd beeld van de situatie rond 1900. Sommige passages zijn letterlijk overgenomen andere zijn bewerkt tot de essentie. Het manuscript werd door Diderik van der Waals ter beschikking gesteld.  Een en ander is aangevuld met eigen informatie en waarnemingen.

Door op een afbeelding te klikken kan men deze op grootformaat bekijken.

 

De schaapskooien

De achterste schaapskooi van Klein Boeschoten rond 1908 (coll. fam. van der Waals)

Volgens Dries Middendorp waren de wanden van de kooien gevlochten van eikentakken met ‘t lof (groen) er aan  waardoor deze soepeler gevlochten konden worden tussen de palen. Deze stonden op een onderlinge afstand van 0,5 meter.  Bij gebrek aan voldoende stro wisselden op het dak banen met stro en heide elkaar af. Men zei wel dat het dak op een ‘gestreepte ezel’ leek. De houten wanden van de schaapskooi(en) van Klein Boeschoten werden vermoedelijk rond 1875 vervangen door bakstenen funderingen/wanden.

‘Zowel op Groot als op Klein Boeschoten waren twee schaapskooien en een hooischot. Twee schaapskooien waren essentieel want de enters mochten niet drachtig worden. Na de zomer gingen de ooilammeren en de ramlammeren in een aparte kooi. Dit waren dan onderhand de enters (eenjarige lammeren)  die het volgende seizoen gedekt moesten worden. Ook de hamels (gecastreerde rammen) moesten apart worden gehouden.  Zij werden zodra ze zwaar genoeg waren naar de slager gebracht. De overige schapen bleven tot hun zesde jaar in de kudde.’

Geurt Middendorp (boer van Klein Boeschoten 1902-1914) bracht kort na 1900 de wol naar de wolmarkt in Veenendaal. Een belangrijk wolcentrum in deze periode. Dries Middendorp sprak voortdurend van de joden uit Veenendaal. Zij hadden donkerblauwe jasjes aan, namen wat wol en schudden die uit boven hun mouw. Wanneer er veel zand in zat, waardoor de wol zwaarder werd, dan zag men dat goed op de donkerblauwe stof. Beter dan op tweed. De kopers hadden gemerkt dat de wol van betere kwaliteit was toen Geurt met de wol kwam. Zijn voorganger, Oude Jan van de Berg van Boeschoten, had een slechtere naam. Want hoe beter de verzorging en het voedsel van de schapen hoe beter de wol.

Klein Boeschoten.

In het midden van de negentiende eeuw vermeldt een koopakte van Klein Boeschoten drie schaapskooien waarvan één in het Binnenveld, terwijl de andere twee op het erf stonden. De schapen konden op het Binnenveld nog vrij grazen en vandaar met de herder via het heideweggetje naar de gemeenschappelijke heide komen. De grote jeneverbesboom was daar in ieder geval in de zestiger jaren nog een laatste getuige van.

De eerste of voorste schaapskooi

De schaapskooi met vijfroedige hooiberg in de vijftiger jaren van de vorige eeuw. (coll. fam. van der Waals).

Op historische kaarten staat sinds 1805 op de plaats van de eerste schaapskooi (gezien vanaf de boerderij) een gebouw aangegeven. In 1832 betreft het ‘huis, schuur en erf’, maar de exacte functie van de schuur wordt niet vermeld. Uit verschillende waarnemingen blijkt echter dat deze in de negentiende eeuw als schaapskooi in gebruik is geweest.

Deze schaapskooi (19 x 7,5 meter) werd in het begin van de twintigste eeuw door de nieuwe eigenaar Nachenius voorzien van een verhoogde zij ingang. Bij de restauratie in de jaren zeventig, waarbij de schaapskooi iets werd verplaatst,  was men op zoek naar bakstenen van hetzelfde formaat als de oorspronkelijk negentiende eeuwse stenen (22x11x5,5 cm). Deze waren volgens Diderik van der Waals echter niet te vinden.  Bij de opgraving in 1972 bij Lelystad werd de vrachtvaarder De Zeehond,  die in 1886 verging, onderzocht. Het schip vervoerde een  lading bakstenen afkomstig uit Groningen. Deze stenen bleken identiek te zijn met die van de schaapskooi en werden door de opgraver voor de restauratie ter beschikking gesteld. Bij die gelegenheid werd ook vastgesteld dat de oorspronkelijk muren tot ca 80 cm beneden het maaiveld gefundeerd waren. Dit in tegenstelling tot de achterste schaapskooi.

De voorste schaapskooi van Klein Boeschoten. Aan de linkerzijde het opgelichte dak met de schuin toelopende ingangspartij,. Rechts is de ingang met de  rechte wand. De ingang aan de zijde dateert het begin van de twintigste eeuw (P. Schut)

Zowel deze diep gefundeerde muren alsook een passage in de aantekeningen van Van der Waals-Nachenius waarbij sprake is van ‘de verlaagde bodem is steeds een probleem. De schapenmest vermengd met heideplaggen groeide in de winter aan tot het algemeen niveau. In ‘t voorjaar werd de mest met de tweewielige kar over ‘t land gebracht.’ Hieruit blijkt dat deze schaapskooi een potstal met een verdiepte vloer heeft gehad. De schaapskudde verloor echter zijn functie rond 1906 waarna ook de potstal in onbruik raakte. Wel werden hier nog varkens en een stier gestald. Tegenwoordig wordt deze kooi voor opslag gebruikt. De eenbeukige schaapskooi laat aan de zuidzijde nog de oorspronkelijke afgeschuinde ingangspartij met opgetilde daklijn zien. Dit is kenmerkend voor schaapskooien van het Veluwse type. De ingang aan de noordzijde heeft daarentegen een rechte wand.

Achterste of tweede schaapskooi

Het interieur van de achterste schaapkooi (foto P. Schut).

Op  negentiende eeuwse kaarten zien we dat er in 1832 nog geen schaapskooi of schuur op deze plaats stond. Pas vanaf 1870 is op de kaarten hier bebouwing aangegeven, waarbij tot 1913 de functie schaapskooi staat vermeld.

Afgezien van het ontbreken van de karakteristieke ingangen heeft deze stal alle zichtbare kenmerken van een schaapskooi. Ondergronds zien we echter dat de funderingen slechts 2 of 3 steens diep zijn ingegraven. Tijdens de restauratie in de jaren zeventig en bij werkzaamheden in 2017 werden geen aanwijzingen gevonden voor een potstal of verhoogde drempel. Er is overigens niet altijd sprake van een potstal. Dit geldt met name voor de veldkooien die niet op het erf stonden. Soms werd een verhoogde drempel aangebracht waarbij geen potstal werd uitgegraven. In dat geval is de hoeveelheid te bergen mest in de stal kleiner dan bij een potstal. Zekerheid hierover is in het geval van de Boeschootse schaapskooi niet meer te krijgen. De kooi is 15,60 x 7,20 (binnenmaats 6,70). ‘ Het achterste  hok was soliede gebouwd met bakstenen zijmuurtjes en sterk getimmerde deuren. Van de wanden konden planken met ijzeren beslag worden opengezet ten behoeve van de ventilatie.’

In Barneveld-Bloemendal is onlangs een opgraving uitgevoerd waarbij onder meer twee negentiende-eeuwse schaapskooien zijn opgegraven. Het betreft hier veldkooien die niet voorzien waren van een potstal. Later dit jaar verschijnt het onderzoeksrapport waardoor wij meer informatie over de geschiedenis en bouwwijze van deze stallen krijgen.

Toen de nieuwe pachter de familie Middendorp uit Herveld aan kwam, hebben zij 4 maanden in de schaapskooi gewoond (februari tot mei 1901). In de kooi stonden  bovendien een koe en een paard. Het voorste deel was in tweeën gedeeld: links kribben voor de 10 kinderen inclusief de baby, rechts voor het echtpaar. Bij de werkzaamheden in 2017 werden enkele houten palen gevonden die de indruk gaven dat de kooi op een bepaald moment in drieën was gedeeld. Mogelijk de resten van deze indeling. Zij wijzen niet op een driebeukige indeling zoals bij schaapskooien van het Utrechtse type vanwege het ontbreken van stiepen en de goede staat van het hout.

Inscripties in de wanden. Rechts met het oudste jaartal 1875 (P. Schut).

 

Verschillende planken in de gevel dragen ingekerfde afkortingen en jaartallen. Hoewel deze wel te spraken kwamen tijdens de gesprekken tussen van der Waals-Nachenius en Dries kon hij hier geen uitsluitsel over geven.

EM |LS | 1875                      BDF

HK1894                                  HD JGS

HK18                                      1 apr 1932

BDF                                         1935

Waarschijnlijk hebben de jaartallen betrekking op werkzaamheden aan de schaapskooi of om bijzondere gebeurtenissen. De letters (initialen?) zijn echter niet nader te duiden. De oudste vermelding dateert uit 1875. Deze vermelding staat op zijn kop. Blijkbaar is bij een latere verbouwing de plank ondersteboven gemonteerd. De vraag is of deze afkomstig is van de voorganger van de schaapskooi of van een andere kooi.

Schaapskooi Binnenveld

Alleen op de kaarten van 1871 en 1890 is in de zuidwesthoek aan de rand van het Binnenveld een schaapskooi aangegeven. Dit is in overeenstemming met de mededeling van Dries dat er vroeger drie schaapskooien zijn geweest.

Groot Boeschoten

Detail van de kaart van De Man uit ca 1805. Boeschoten lag geïsoleerd op de heide.

Op de kaart van De Man uit 1805 wordt  één gebouw aangegeven terwijl de kadastrale minuut uit 1832 een ‘schuur met erf’ vermeldt. Het gebruik van deze schuur wordt echter niet vermeld. Op de kaart van 1850 staan 2  bouwwerken en in 1870 en  1890 drie gebouwen met de functie SK (schaapskooi). Sinds 1909 stond er nog maar één gebouw, de huidige schaapskooi. Dit wordt bevestigd door Dries Middendorp die vertelde dat er op Groot Boeschoten twee schaapskooien naast elkaar stonden met daar tussen een schapendrift. De mondelinge overlevering gaat blijkbaar terug tot het einde van de negentiende eeuw. Tegenover ‘t hoekje van de weg stond het hooischot. Hoe wij ons dit precies moeten voorstellen in de huidige topgrafie is onduidelijk.

De Veluwse schaapskooi van Groot Boeschoten met houten wanden en het kenmerkende opgelichte dak met afgeschuinde ingang (P. Schut)

Volgens Dries waren twee schaapskooien noodzakelijk om de lammeren en enters (eenjarig schaap) uit elkaar te houden. Maar Groot Boeschoten had in 1911 nog maar veertig schapen waardoor een tweede kooi niet de moeite loonde.

Schaapskooien werden overigens niet al te soliede gebouwd. Al naar de omstandigheden werden deze, indien nodig,  verplaatst. De kooi van Groot Boeschoten werd van planken en palen opgebouwd en met plaggen tegen tocht en wind beveiligd. Het dak was evenals bij de hooibergen bedekt met heide en rogge stro.

Boeschoten in 1850. Op de plaats van de schaapskooi van Groot Boeschoten zijn drie gebouwen aangegeven. De tweede schaapskooi van Klein Boeschoten ontbreekt nog.
Boeschoten in 1870. De schaapskooien staan aangegeven ( SK).

 

 

 

 

 

 

De herder

De schaapskooi van Groot Boeschoten in 1911.

Nard de Fauw heeft voor 1900 ongeveer 7 maanden bij Jan van Boeschoten gediend als schaapsherder. ‘Jan had 150 schapen. Heimen van Surksum (Groot Boeschoten) had er veertig die gewoonlijk allemaal samen naar de heide gingen via Heimen’s schaapskooi. Eerst gingen ze dan drinken aan het Waterse Meer. Tussen de middag gingen ze weer in de kooi voor de mest. De schapen scheiden zich altijd weer vanzelf. Ook van Oud Milligen liepen de schapen hier op de heide maar zonder herder. Met de middag moest Nard de schapen van Oud Milligen ‘ronddraaien’ d.w.z. met de koppen naar huis draaien en dan kwamen ze vanzelf wel thuis. Een stuk of vier herders liepen hier rond. Eens had Nard willen onderzoeken of het water uit een wel kwam, of door een bank bleef staan. Hij was gaan graven en was door een steenharde oerbank heen gegraven. Nadat hij dit gedaan had, was er volgens hem minder water in het meertje geweest. Er was echter steeds genoeg voor alle schapen.’

‘Nard gaf alle schapen een naam waarop ze met ‘beh’ reageerden. Hij oefende dat ‘s avonds met brood. Eens toen hij 14 jaar was, moest hij met de schapen naar de markt in Barneveld. Duizenden schapen kwamen daar bijeen. Enige van zijn schapen waren tussen een vreemde kudde gelopen, maar de daarbij horende herder ontkende dat. Er ontstond een oploopje en veel mensen keken toe. De Fauw had toen gezegd ‘jij kunt jokken, maar de dieren jokken niet. Wij zullen zien. Daarop had hij zijn schapen bij name geroepen en ze hadden prompt met ‘beh’ geantwoord. Wanneer je dacht dat iemand schapen onrechtmatig in zijn bezit had kon je er beslag op laten leggen. Nu nog zegt hij in 1950.’

Kort na 1900 werd Albert Westereng herder op Klein Boeschoten. Heimen van Surksum had op Groot Boeschoten een herdertje van 12 jaar en zijn zusje werkte als meid bij Trui.

Vermoedelijk herder Jacob Mouw.

‘Nog lange jaren zwierf er een schaapherder met zijn kudde door ‘t land. Hij had huis noch haard. Sliep ‘s nachts tussen de dieren. Passeerde hij dorp óf stadje dan hield het verkeer stil. Ook door Boeschoten passeerde hij. Eens toen hij op Bergsham pauseerde ben ik bij hem gaan zitten. Je kon goed zien dat kip noch kraai voor hem zorgde. Helaas is een keer Melis (Schimmel) driftbui op hem losgebarsten zodat je het tot Enny’s hoeve kon horen. Heeft Melis geslagen is er een zaak voor ‘t canton van gekomen? Ik was niet in het land en wilde het later niet vragen. Jammer, maar schapen eten wilde jonge boompjes af en welkome gasten waren ze daarom niet. Maar toch deze herder Mouw was uniek en ik vond ‘t een eer dat hij Boeschoten bezocht. Deze Jacob Mouw overleed in juni 1969 in Elspeet. Hij was vanaf zijn 12e jaar schaapsherder. Pas enkele weken voor zijn dood heeft hij zijn 50 schapen verkocht. Mouw was een ruige verschijning met een dik schapenbonten versleten vest aan.’

De kudde

Volgens de ansichtkaart betreft het Boeschoten, maar de schaapskooi kon niet met zekerheid worden geïdentificeerd.

Bij het schapenscheren gingen de schapen eerst naar het Uddelermeer om gewassen te worden zonder wasmiddel. Als ze schoon waren moest de schaapskooi gestrooid zijn met schoon wit zand. Dit werd gehaald uit de eerder genoemde kuilen naast de schaapskooien.  De schapen werden soms 2-3 dagen na het wassen geschoren. Men hoopte dan op een beter gewicht, maar het was beter om pas na 14 dagen te scheren.

In 1906 stopte men met de schapenteelt.  De 150 schapen van Klein Boeschoten pasten volgens de huidige normen in de voorste schaapskooi (114 m2) met uitzondering van de periode dat de lammetjes komen (met dank aan Daphne van Zomeren – Schaapskudde Elspeet). De vraag is waar de tweede schaapskooi voor bedoeld was. Was de kudde in de negentiende eeuw twee keer zo groot of was die periodiek bedoeld voor de enters?

Mest.

Ot Middendorp op de tweewielige kar van Boeschoten rond 1910 met (coll. fam. van der Waals)

De voorste kooi op Klein Boeschoten is ca. 19 x 7,5 meter. Dit betekent dat wanneer de kooi volledig voorzien was van een potstal, uitgaande van 0,8 m diepte, er per keer 114 m3  mest uitgereden kon worden. Aangezien het mengsel door betreding van de schapen compacter was geworden, zal het volume van het uitgegraven losse mengsel groter zijn geweest. Hoeveel precies is niet bekend maar hier wordt uitgegaan van 30%. Hoeveel mest met de tweewielige kar in een keer vervoerd werd is niet bekend. Gezien de geschatte afmetingen op basis van de  foto zal dit maximaal 2  m3 vaste mest zijn geweest dat wil zeggen tenminste  55 vrachten. Wanneer de potstal twee keer per jaar werd geleegd zou dit dus het dubbele kunnen zijn.

Behalve voor de potstal was er ook veel heide nodig voor brandstof en in mindere mater voor de dakbedekking. Volgens Dries pasten in de tweewielige stortkar 60 hoopjes van 5 plaggen.  Bij plaggen van 30 x 30 cm betekent dit een oppervlak van de kar van 5,4 m2. Dit is te veel voor de tweewielige kar (ca. 1,5 m2). Wanneer er twee of drie hoopjes plaggen op elkaar werden gestapeld is het echter geen probleem. De afmetingen van de kar worden op basis van bijgaande foto geschat op 1,5 x 1,0 x 0,50 meter.  Oude mannen zouden zich herinneren dat zij als jongen van 13 jaar 2000 karren uit de kooi het land op hebben gereden. Elders in de tekst wordt echter gezegd dat het om plaggen gaat die naar het erf gereden werden. Gezien de inhoud van de potstal lijkt dit getal overdreven maar wanneer de heide ook als brandstof werd gebruikt zou dat wel mogelijk zijn.  Bij een dergelijke uitspraak is het natuurlijk altijd de vraag hoe betrouwbaar de bron was. Was het grootspraak? Hoe betrouwbaar is het geheugen? Betrof het alleen Boeschoten of ook andere boerderijen? Sprak men over een jaar of misschien over een aantal jaren?  De dagloners kregen daarvoor 1 stuiver per kar. De ‘rommel’ op het erf bestond in de negentiende eeuw dan ook hoofdzakelijk uit de stapels heideplaggen. (pas in de twintigste eeuw werd de wegwerpmaatschappij zichtbaar op het erf).

De heide voor de turf op Bergsham was ongeschikt, maar werd gehaald aan de overzijde van de weg (vermoedelijk de Arnhemsekarweg of richting Waterse meer) waar het veniger en natter was.

Het uitrijden van gier vanuit een tweeassige gierkar (col. fam. v.d. Waals).

Voor Trui’s tijd (negentiende eeuw) gingen de koeien het bos in. Begin twintigste eeuw had Middendorp  overigens 1 of 2 koeien, maar het is niet bekend hoeveel koeien Jan van Boeschoten in de voorafgaande periode had. ‘Koeien heuen’, de vader van Grietje nam een korf mee om de mest op te vangen en bond die ‘s avonds als hij huiswaarts keerde op zijn rug.

 

Deze blog is bedoeld als een ‘petite histoire’ waarbij een facet  van de bijzondere geschiedenis van Boeschoten wordt uitgelicht. Er zullen op deze plaats de komende tijd meer blogs verschijnen over dit bijzondere landgoed.

2 thoughts on “De schaapskooien van Boeschoten (Garderen)”

  1. Leuk om te lezen wat hier staat beschreven, heb als klein jongetje van 8 jaar veel verhalen gehoord. inmiddels 45 jaar geleden. Van Christina van Surksum – van Beek. Is geboren op 12 mei 1898, in Doornspijk.

    Opa Frank van Surksum zal de zoon zijn geweest van hier de benoemde andere Heimen van Surksum woonde op Groot Boeschoten. Met Trui van Essen- van Surksum. De dochter van Christina, heette ook Trui en haar zus Antonia (Annie). Ome Heimen is haar zoon van Christina. Ome Heimen leeft nog. is inmiddels ook wel 93 jaar! Leuk om deze geschiedenis , het levens verhaal van de familie Van Surksum… te lezen.

    1. Fijn om te horen dat het ook bijdraagt aan de familiegeschiedenis. Vermoedelijk kent u ook het bijzondere boekje van C.E. van der Waals-Nachenius: Boeschoten, Een Veluwse kroniek. Erg aan te bevelen. Aangezien het niet meer verkrijgbaar is wil binnenkort een pdf ervan op deze site zetten. Ik ben ook bezig met een ander manuscript van deze schrijfster waarin de van Surksums regelmatig worden genoemd.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.